Afschaffing vrijstelling bij vervoer in onderaanneming



Overeenkomstig de BTW richtlijn verlenen lidstaten een vrijstelling voor diensten, met inbegrip van vervoer en met die diensten samenhangende handelingen, wanneer die diensten rechtstreeks verband houden met de uitvoer (of invoer) van goederen naar derdelandsgebieden (buiten de EU).


Deze vrijstelling vindt met in het Belgische BTW wetboek terug onder art.41 §1, lid 1, 3°. De fiscus interpreteert dit artikel ruimer, in de zin dat zij vindt dat deze vrijstelling ook mag worden toegepast, ongeacht aan wie deze vervoersdienst wordt verleend, een rechtstreekse band tussen vervoerder (onderaannemer) en uitvoerder is dus niet vereist.


Volgens het Europees Hof geld deze vrijstelling echter enkel als de diensten rechtstreeks voor de uitvoerder of de ontvanger van de goederen wordt verricht. Daaruit volgt dat de vrijstelling niet toepasbaar is indien voor het transport een beroep wordt gedaan op een onderaannemer.


Vanaf 1 januari 2022 zal daar echter verandering in komen. In de recent gepubliceerde circulaire 2021/C/96 kan men lezen dat de administratie haar visie vanaf dan aanpast, en dat de vrijstelling voortaan slechts van toepassing kan zijn 'in de verhouding tussen enerzijds de dienstverrichter en anderzijds de afzender of ontvanger van de in of uit te voeren goederen'


Voorbeeld:


B -----------------------------------------------------------------> C

België (export) China

Vervoer : X

Onderaannemer : Y


B voert goederen uit naar China en doet daarvoor een beroep op vervoersonderneming X.

In deze relatie is het vervoer vrijgesteld op basis van artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-wetboek


Als transportonderneming X echter een beroep doet op onderaannemer Y, zal in deze relatie geen vrijstelling meer gelden vanaf 1/01/2022 en dient er 21% Belgische btw aangerekend te worden.